Kapitein Brander & Co.
De zwevende priamide deel 2
Introductie:
Kapitein Brander is de zevende Kapitein, naast de zes die naar huis gingen na
de oorlog (vijf ervan gingen via een omweg, één ervan gelijk)
was er nog één. De vijf die via een omweg gingen zijn beroemd:
Demper, Pluus, Katerman, Kabouter en Roodstorm (de meest verbazingwekkendste
van dat stel). Niet in het minst doordat drie ervan nooit aankwamen. De ene
die gelijk ging is naamloos, zal voor eeuwig naamloos blijven. Dit is het verhaal
van de zevende van het stel. De zevende grote Kapitein (alhoewel dat slechts
een manier van uitdrukken is, volgens sommigen was hij de eerste, volgens anderen
de zesde, dat doet er even niet toe). Misschien wel de grootste van het stel,
de grootste ooit... Ook hij is naamloos, slechts bekend onder pseudoniemen van
diverse aard. Enig inzicht in zijn ware naam vindt men in de naam die hij hier
heeft en die hij zijn ruimteschip gaf. [Wij zullen U niet beledigen deze hier
te herhalen, wij onderschatten U niet.]
"De truc is om heel goed uit te kijken met dit soort bouwsels. Verder is het
van essentieel belang dat degene die het meeste verstand heeft van dit soort
zaken op de veiligste positie blijft. Het zou dus verstandiger zijn als ik in
de achterhoede blijf."
Zijn eigen advies negerend stapte Bemanningslid Steenvreter
behoedzaam naar binnen. Terwijl hij dat deed keek hij toevallig opzij en zag
dat Bemanningslid Meander overvloedig tegen de piramide stond te urineren. Hij
haalde zijn wenkbrauwen op maar stapte verder. Toen ze allemaal binnen waren
stonden ze in een immense ruimte. De muren waren volkomen bedekt met hiëroglyphen.
Eerste stuurman Binas, die net even zijn kleine computer aan die van Steenvreter
had gekoppeld, draafde opgewonden erop af en begon driftig met een kleine handscanner
heen en weer te zwaaien.
"Aha, precies wat ik dacht," mompelde hij vaag. De
anderen dwaalden wat door de ruimte heen en keken of er verder nog wat te beleven
viel.
"Je zou hier een geweldig feest kunnen geven in deze ruimte," mompelde Wapenmeester
Vuistbijl Jones tegen Scheepskok Roerspaan. "Hé Roerspaan, hoeveel drank
hebben we eigenlijk nog, kunnen we vanavond geen groots bourgondisch feest aanrichten?"
Roerspaan begon te glimmen bij de gedachte. "Ja, dat moet wel kunnen. Ik heb
nog wat diepgevroren biefstukken en nog wel wat haasjes, maar helaas geen kippepoten,
zoals je weet. Verder is er nog aardig wat rum en nog vrij veel wijn. Helaas
is laat ook de bier-voorraad te wensen over. Maar er is hier vast wel een kombuis."
"Kombuis?"
"Een keuken. Met voorraadkelder. Kom, we gaan op zoek, de anderen
zijn toch bezig met 'belangrijke zaken'."
"Hoe gaat het ermee, Binas?" vroeg de Kapitein elders in immense zaal.
"Nou
met mij gaat het prima, maar... het gaat dus slecht met de wereld. Ik krijg
steeds meer aanwijzingen voor de eerdere hypothese betreffende het gewijzigde
verleden van de planeet."
Bemanningslid Steenvreter merkte op dat moment op:
"Hier, ik zal wat dingen vertalen. Het is echter belangrijk te weten dat deze
planeet geen leven bevat, noch ooit bevat heeft. Alle bouwsels en tekens van
intelligentie zijn slechts te wijten aan 'spiegelingen' uit de secundaire wereld
zoals die bestond toen we aankwamen. Het volgende is geschreven in de vorm van
een monoloog. Ik vertaal:
"Coherentie dus; dat je denkt dat de wereld geordend
is. En dat de wereld iedere dag anders is, maar toch bestaat uit dezelfde bouwstenen;
continuïteit, dat probeer ik uit te drukken. Continuïteit en coherentie
zijn waarschijnlijk de twee belangrijkste misverstanden in de hedendaagse fysica
en levenswetenschappen. Slechts weinigen weten zich te onttrekken aan de aloude
doctrine."
Het is duidelijk dat we hier te maken hebben met een persoon die
bang is dat hij zal moeten erkennen dat hij slechts in een irreële wereld
leeft."
"Wat mij zo intrigeert is het volgende," begon Binas tegen Steenvreter
te oreren. Kapitein Brander volgende slechts de eerste twee zinnen voor hij
besloot dat het geen zin had om nog langer te luisteren. Voorzover hij begreep
ging het gesprek over realiteit en causaliteit, allebei dingen waar hij wel
eens over gehoord had, maar die hem weinig deden op een emotioneel raakvlak.
Waar, er werd van zijn eigen daden veelal gezegd dat ze onverantwoordelijk waren
en veelal de oorzaak van het sterven van duizenden mensen, maar ja, zo kon je
wel bezig blijven. Er was tenslotte ook nog zoiets als vrije wil, of niet dan?
Zo verder mijmerend liep hij tegen Scheepskok Roerspaan en Bemanningslid Vuistbijl
Jones aan. Dezen hadden zojuist de voorraadkelder gevonden en waren bezig om
een biervat open te slaan. Juist op dat moment kwam ook Bemanningslid Meander
de hoek om.
"Hé, weten jullie dat het gebouw zweeft?" vroeg hij. "Toen
ik net tegen de muur aan het zeiken was zag ik dat er geen fundamenten waren.
Er zitten geen stenen in de grond en dat zou je toch wel verwachten bij zo'n
groot bouwwerk."
"Vertel dat maar aan de geleerde heren in de entree, wij hebben
wel wat beters te doen, gromde Kapitein Brander, terwijl hij een 100 litervat
bier op zijn kant dwong en deze naar de uitgang begon te rollen. "Het kan wel
zo zijn dat Binas en Steenvreter ervan overtuigd zijn dat er geen reëel
leven op deze planeet heeft bestaan, maar ze hebben in ieder geval hun verdomde
best gedaan om mij te overtuigen met een krankzinnige hoeveelheid gerstenat.
Of ze nou bestaan of niet, ik vind het puike gasten."
ga naar deel 3
|