Kapitein Brander & Co.
De zwevende priamide deel 3
Introductie:
Kapitein Brander en enkele van zijn kornuiten zijn de Zwevende Piramide van
Ben E'v-n Wg binnengetreden. Hoe deze piramide daar komt is vooralsnog onduidelijk
en dat het niet veel duidelijker zal worden behoort zeker tot de mogelijkheden,
nee: is zelfs zeer waarschijnlijk. Terwijl de twee knappe koppen Binas en Steenvreter
staan te discussiëren over de duiding van de hiëroglyfen zijn de anderen
dieper de piramide binnengedrongen, sommigen op zoek naar de anderen, de anderen
op zoek naar drank en kippekluifjes. We verlieten de vorige keer Kapitein Brander
die ons meldde dat hij de bouwers puike gasten vond aangezien ze net een hele
hoop bier hadden gevonden. We slaan enkele uren over en belanden in de grote
zaal van de piramide waar ondertussen alle manschappen verzameld zijn en alwaar
een feestelijk gedruis te ontwaren is.
"Ik zeg je, de bouwers van deze piramide zouden niet bestaan hebben in deze
werkelijkheid? Dat is gelul. Ik weet zeker dat ik vanmiddag in een van de lange
gangen die onder deze zaal doorlopen een gedaante zag."
Het was inmiddels een
uur of zeven 's avonds en de manschappen waren al een uur of wat bezig zich
vol te stoppen met drank en voedsel. Toen ze enkele uren lang niets hoorden
van de Kapitein benaderden ze voorzichtig de piramide. Hun voorzichtigheid sloeg
al snel om in extreme vreugde toen bleek dat de mannen niet verslonden waren
door visioenen uit de hel, maar dat ze stiekem een feestmaal aan het voorbereiden
waren met, jawel: kippepootjes en bier. Toen alle mannen in allerijl opgetrommeld
waren kon het feestmaal beginnen. Inmiddels waren ze het stadium van kippekluifjes-frenzy
voorbij en waren ze begonnen aan het serieuzere drinkwerk. Dit was ongeveer
de tijd dat de manschappen met sterke verhalen kwamen over de ontberingen die
ze hadden moeten doorstaan en de gevaren die ze getrotseerd hadden in de ijle
koude van het immense heelal. Dat ze elkaar toch niet konden overtuigen van
het feit dat deze dingen echt gebeurt waren was irrelevant [ze waren overigens
niet echt hoor]. Toch was het al zeker dat Eerste Stuurman Binas zou winnen,
hij zou waarschijnlijk weer verhalen van de schipbreuk die hij geleden had toen
hij nog derde rangs matroos was. Gedurende twaalf weken had Binas in zijn eentje
rondgezworven in een stuurloze reddingsboot met weinig te eten, maar gelukkig
met genoeg lucht. Dat hij op zijn reis vele ruimtemonsters was tegengekomen
vertelde hij aan jan en alleman. Wat echter niet wilde zeggen dat men hem serieus
nam, wat jammer is, aangezien het Binas fysiek onmogelijk was om te liegen of
zelfs maar de waarheid te verdraaien. Hoe dit kwam is een ander verhaal en heeft
te maken met een van de eerder genoemde monsters. Alhoewel, monster? Een buitenaards
aantrekkelijke jonge vrouw, eerder. Met wie Binas gedurende enkele fascinerende
weken een planeet had geregeerd, voor welke functie hij zijn hersenpan had moeten
laten wijzigen; maar ja, je bent maar eens in je leven jong hè?
O, luister, daar is dat verhaal. Zie hoe de manschappen hem hoofdschuddend aankijken.
Ze geloven er geen snars van dat is duidelijk. Helaas.
"...Maar goed, om een
lang verhaal kort te maken, om aan alle eisen te voldoen moest ik mijn hersens
laten wijzigen zodat ik geen onwaarheden kon vertellen, wat gebruikelijk was
op die planeet, voor leiders althans..."
"Dat doet me denken aan die grap van
de leugenaar die zegt: 'alles wat ik zeg is een leugen' " (Roerspaan).
"Maar
dan precies omgekeerd, bovendien ging die mop niet zo, en het was ook helemaal
geen grap, maar een diepe analyse van de taalstructurele eigenschappen van negatieve
inflecties," zei Binas terzijde.
Het gesprek werd ruw onderbroken door een rauwe schreeuw. "Aaaaaaaaaahhhhgggrrrr..."
"Was dat Meander," vroeg Vuistbijl Jones aan niemand in het bijzonder.
"Dat was
Meander," beaamde Eerste Machinist Vuurvreter. "Klopt als een bus. Mijn hut
is naast die van Meander en die maakt iedere morgen zo'n geluid als hij wakker
schrikt."
"Misschien een stukje zwakker dan," zei Bemanningslid Koperknoop die
verantwoordelijk was voor de robots van het schip.
Plotseling kwam Bemanningslid Meander aangerend met achter hem aan een wezen
dat het beste beschreven kan worden als groot, kwijlend, bloeddorstig en hongerig.
Dat kwam door de immens grote tanden die het wezen had. Het geheel had een wat
surrealistisch karakter, vooral ook doordat de mannen onverstoorbaar verder
kloven aan hun botjes. Kapitein Brander keek op toen het wezen Meander inhaalde
en hem moeiteloos van de grond afplukte. Het wezen staarde toen ongelovig de
groep in. Hij had een van hen te pakken, dat zagen ze toch wel. Waarom zaten
ze daar dan zo onverstoorbaar? Meander die ook niet gek was, brulde tegen het
wezen: "Hé heb je nou je zin? Dit maakt geen indruk. Zet me nu maar gewoon
neer en bemoei je verder niet met ons. We zijn toch veel te slim voor jou."
Het wezen keek verrast naar het kleine larve-achtige beest dat hij door zijn
gangen had zien sluipen en die hij besloten had te vangen, wat gelukt was. Nu
bleek er een hele plaag van de wezentjes te zijn en zaten ze ook nog eens aan
zijn heerlijke bronwater. Hehum. Bronwater? Nou ja, bier, o.k. Wat hem verder
verbaasde was het feit dat er nu een larve naar hem toe kwam lopen terwijl deze
woedende gebaren maakte en met een kleine zilverkleurige scherf van het een
of ander naar hem zwaaide. Of zou het een instrument zijn en zouden dit helemaal
geen larven zijn, maar leden van een intelligent volk. Hij verwierp deze gedachte
als stompzinnig. Iedereen weet dat er geen intelligenter leven buiten een planeet
voor kan komen dan er op een planeet van een willekeurige observator voorkwam.
Wat een ingewikkelde manier was om te zeggen dat de bewoners van een planeet
zichzelf altijd als de meest intelligente soort -ooit en overal- beschouwen.
ga naar deel 4
|