De
schizoïde processen der werkelijkheid
1. Het was natuurlijk niet zo dat hij niets te doen had. Het was meer vanwege
het feit dat de alledaagse beslommeringen hem absoluut niet bezighielden. Met
verkrampte kaken van de grote hoeveelheden koffie die hij naar binnen slobberde.
Een vriend van hem zei wel eens. (Over fragmentatie-gesprekken gesproken!) De
brandbom was natuurlijk een mogelijkheid, bedacht hij zich. In een vlaag van
verstand realiseerde hij zich dat zijn schizoïde schijnwerkelijkheid geprojecteerd
werd op zijn omgeving. Hierdoor werden mensen en situaties beinvloed, echter
zonder dat de anderen zich ervan bewust waren. Kreunend kromp hij ineen. Foetaal
gesproken lag hij in een balletje. Een balletje, bedacht hij zich, is een symbool
voor mijn geestelijke processen. Hij richtte zich op en keek met verbazing naar
de regenboogkleurige telefoon. Ook al vervormd. Er werd gebeld. Aarzelend nam
hij de telefoon op. Een in paniekstemming verkerende vrouw beet hem toe: "De
politie. Snel. Broekhuysendreef 448-cis." Hij dacht aan cis-platina en de electronenconfiguratie
daarvan. "Pardon, meneer", zei hij, wel wetend dat de vrouw waarschijnlijk van
haar stuk zou worden gebracht, "lk ben niet van de politie, maar van een welbekend
onderzoeksbureau op het gebied van de elementaire persoonlijkheidsstructuur-deviaties.
Ik ben bang dat ik niet veel voor uw kat kan doen." Briesend van woede wierp
hij de telefoon door het raam. Hijgend stak hij een voorgedraaide joint op.
Pffff....
Er klonk een deur-alarm. Hijgend van schrik wierp hij zijn joint weg. Na de
deur gesloten te hebben dacht hij na. Mijn gestoorde persoonlijkheid vervormt
de werkelijkheid, realiseerde hij zich weer.
Beangstigend...?
2. Toen hij op straat liep beet een kwijlende zwerver hem de volgende verwensing
toe: "Afvallige." "lnderdaad", vond hij, "Ik ben een afvallige." Het was echter
zo lang geleden dat hij uit de woestijn, die zijn huwelijk was, was teruggekeerd.
Het dagelijks bestaan was in die tijd niet veel meer dan een trektocht van oase
naar oase. Of van de ene naar de andere kroeg, alles om zijn wettige echtgenote
(in het aanzicht van God) te ontlopen. Hij dacht aan woestijnen, oases en trektochten.
Gelijk de Israëliten (naar het beloofde land) had hij doelloos rondgezworven
in die dagen. De uiterlijke schijn van een normaal leven ophouden hem te moeilijk,
na jaren van geestelijke dorst. Toen hij weer alleen was had zijn leven weer
zin gekregen. Nou ja, zin. Zijn leven bestond nog steeds voor een groot gedeelte
uit kroegen. In ieder geval zeurde zijn vrouw er niet meer over. Het was pas
veel later toen hij problemen kreeg met zijn persoonlijkheid. Langzaam vervreemde
hij van zichzelf. Woorden door de war halend en af en toe brabbelend over harige
beestjes die huisden in zijn haar. Daar had hij zich allang mee verzoend, wat
voor kwaad doen bladluizen nu eenmaal?
ga naar deel 2
|