De
schizoïde processen der werkelijkheid
3. Toen zij in de kroeg zat beet een bezoeker haar de volgende verwensing toe:
"Verdwaalde."
"lnderdaad", vond zij, "Ik ben een verdwaalde." Er was een tijd dat zij niets
vreesde, slechts bestond en aanschouwde. Voortgestuwd door de golven van inspiratie
die voor men uit het respect voor haar vrienden. Uit het respect von haar vrienden.
Ze dacht aan haar tehuizen in vreemde landen. De reizen van zoeken naar vinden,
en weer verder, omdat wat zij vond haar zei dat zij verder moest: wat zij vond
was slechts de vorm van wat zij zocht. Maar dat wist ze nu. Haar vingers beroerden
het glas. Ze aanschouwde de spiegeling van vrijheid in de vloeistof, die trilde
door het geschuif van de bezoeker. Haar leven bestond nog steeds voor een groot
gedeelte uit reizen. Maar ze had er nu geen geld meer voor nodig. Ze reisde
in haar hoofd, van persoon naar persoon. Ze zag de bestemmingen, ze begreep
de routes, maar waar was ze zelf. Ze liet zich meevoeren op de golven van hun
reizen, verdwaalde, langzaam vervreemdend van zichzelf. Oorzaak en gevolg door
de war halend en af en toe ontwakend uit haar roes. Haar aandacht werd getrokken
door een groen stofje dat zich met kleine sprongetjes in de richting van haar
glas bewoog.
4. "Verrader!", riep de yucca tegen de bladluis. De bladluis keek verbaasd neer.
Het was haar al opgevallen dat hetgeen waaraan zij knaagde geen enkele overeenkomst
leek te bezitten met het sappige bladgroen waaraan zij zich normaliter spijsde.
Waar was ze? De Smaak in haar bek was die van anti-roosshampoo (wat hebben mensen
toch tegen rozen?). En het stonk ook. De geur was als van een muffe, zompige
vlooienbegrafenis. In gedachten verzonk zij, tot de yucca riep: "Weet je dan
nog niet dat die maffe huisbewoner de gewoonte heeft met planten op zijn kop
rond te lopen als hij weer eens van het manische stadium naar het depressieve
stadium overgaat, of was het andersom? Enfin, laten we de zaak maar weer recht
trekken. Ik wil je terug, ik houd van je, wat moet een eenzame yucca zonder
haar bladluis?"
De bladluis staarde naar de yucca. Alles werd haar duidelijk. Ze moest wachten
op de volgende aanval van liefdesverdriet van het hoofd waarop ze zich bevond,
opdat de eigenaar van dat hoofd onderhevig zou worden aan een aanval van van
catatonie. Dan zou ze rustig naar beneden kunnen lopen. En terug naar haar gastvrouw
en grote heldin: Arnalia, de prijswinnende yucca.
5. Hii vroeg zich wel eens af hoe het kwam dat niemand anders zijn bladIuizen
zag. Ze waren toch - voor hem - duidelijk als zodanig herkenbaar. Hij dacht
aan de Platonische idee-obiecten waarover hij geleerd had tijdens zijn studie.
Alle bladeren, van bomen zowel als van planten, zijn als zodanig herkenbaar. Er moest
een onderliggende classificatie zijn die alle bladeren als zodanig herkenbaar
maakte. Dit gold voor de parasieten van bladeren zoals bladluizen. Hij dacht
na over het adaptieve voordeel van de groene kleur van de beestjes; hij was
in een van zijn heldere momenten. Zuchtend keek hij naar zijn verdorde yukka.
Ten prooi gevallen aan imaginaire bladluizen. Treurig. Triest.
Hij kreunde en rolde zich ineen op de lederen bank die hij had gevonden - in
goede staat - bij het grof vuil. Die gore kapitalisten van nummer 86, vermoedde
hij. Hii dacht aan dat leuke meisje dat hij gisteren in de kroeg zag. Zij had
hem vol afschuw aangekeken. Alsof zij zich bewust was van de kleine, springende
insecten die continu om hem heen zwermden.
ga naar deel 3
|